fbpx

Column Charlotte Beumer - juli 2018

La’maar komen!

Lichtjes hijgend sta ik in de zaal. Mijn keel voelt dik, slikken kost me moeite. Ik voel hoe mijn hartslag versnelt. Het groen van de vloer lijkt te fluoresceren, te pulseren rond mijn voeten.
Mijn gebalde vuisten zijn geheven, mijn vingers stuk voor stuk omsloten door het leer van mijn handschoenen. Kin op mijn borst. Ademhaling te hoog. Mijn shirt is nat van het zweet. Onder mijn wenkbrauwen door kijk ik naar mijn tegenstander.
Ook hij hijgt. We lijken elkaars houding te spiegelen.
Dan klinkt het signaal.

“Haal adem!”

We groeten elkaar door onze handschoenen tegen elkaar aan te tikken. Geven elkaar een bijna onmerkbaar knikje. Bewegen om elkaar heen, peilend. Loerend. Dan ineens stapt hij naar voren en deelt de eerste stoot uit.
Mijn te snelle ademhaling slaat over in hyperventilatie. Mijn bitje blokkeert de lucht die ik naar binnen probeer te zuigen. Ik zie alleen nog maar maaiende vuisten en alles begint te draaien.
“Haal adem! Haal adem!” hoor ik mijn tegenstander roepen. Ik ben bang dat ik gestrekt ga. Dat gebeurt gelukkig niet. Maar het huilen staat me nader dan het lachen.

Alleen leuk met kerst

Naderhand schrijf ik op Facebook dat ik ‘sparren alleen leuk vind met kerst’. Probeer een grappige twist te geven aan wat ik zojuist heb ervaren. Want zelfspot is mijn go-to afweermechanisme. En dan stop ik het weg. Ik kan er niks mee.

Als ik tijdens de daaropvolgende training hoor dat we onze bescherming aan en om moeten doen omdat we gaan sparren, is het alsof er flinke kei neerploft in mijn buik.
Het brengt me terug naar de gymlessen, vroeger. Het gevoel dat me bekroop wanneer ik stiekem de zaal inblikte en ik turntoestellen zag staan.
Toen kon ik me gelukkig prijzen met een gymleraar die ófwel reeds lichtjes dementeerde ófwel wars was van alles dat met Het Vrouwelijk Lichaam te maken had, want ik kwam soms weken achtereen weg met een tussen m’n tanden gemompeld ‘ikkannietmeedoenikbenongesteld.’
Maar dit is anders. Dat was gym, en gym was stom.
Dit is krav. En krav, daar hou ik van. 

Voor-onpret

Sparren begon me duidelijk parten te spelen, want ik bemerkte bij mezelf steeds vaker de onaangename sensatie van voor-onpret. Dat gevoel van ‘oh, als we maar niet…’ Dat heerlijke, onvoorwaardelijke, kwispelende enthousiasme, dat ging er met rasse schreden af.
Dat moest niet!
Dus ik moest iets.

Zoals meestal wanneer je overduidelijk iets ‘moet’ bedient de kosmos je op je wenken. En zo werd de krav-training van de maandagavond ineens omgedoopt tot Fightclub: een training van een uur die geheel en al in het teken staat van… juist. Sparren.
Angsten zijn er om te overwinnen en dus fiets ik op een maandagavond naar Helena. Met licht loden schoenen, dat wel.

Vechtskills

In het daaropvolgende uur richten we ons op vechtskills die tijdens de krav-trainingen doorgaans niet aan bod komen. Ik ga er helemaal in op. Wil alles weten.
Dat heeft ook te maken met iets waar ik bij krav regelmatig tegenaan loop.
Want ik oefen de technieken die me worden voorgeschoteld met alle passie die ik in me heb, om diezelfde technieken vervolgens in een gevecht als sneeuw voor de zon te zien verdwijnen.
Ik doe gewoon maar wat. En dat is meteen het dubbele ervan. Want krav is een zelfverdedigings-systeem. Met als hoofddoel: jezelf zo snel mogelijk in veiligheid zien te brengen. Maar waar er voor de straat een ‘redden wat je redden kan’-insteek geldt, word je op examens door strikte Israëlische meneren afgerekend op de stand van je voeten. Of je handen. Of je pink.

Ik ben tekstschrijver met twee kleine kinderen. Hoewel ik voor hete vuren heb gestaan maakt geweld geen deel uit van mijn dagelijks leven. Dat is fijn, laat ik dat vooropstellen, maar echt veel praktijkervaring doe ik dus niet op.

Alles weigert dienst

En dat blijkt. Ik sta tegenover een willekeurige sparringpartner en de techniek die ik de avond daarvoor tot in den treure heb geoefend, doet het ineens niet meer.
Ik weet hoe ik een trap moet blocken, maar nu het erop aankomt weigeren mijn benen plots alle dienst en maaien mijn armen ongecontroleerd in het rond.
Ik beweeg me door de zaal als een door de duivel bezeten trekpop. Alles beweegt, maar niets is echt efficiënt. Laat staan dat ik er nog maar enigszins cool of stoer uitzie.
Ik incasseer trap na trap, mijn dekking lijkt met vakantie te zijn gegaan en ik ben er inmiddels ook achter dat het primaire doel van mijn bitje niet is om mijn tanden te beschermen maar om de pijn te kunnen verbijten.

Geweldsspiraal

Ik heb even een break nodig en dus las ik een plaspauze in. Het naar beneden trekken van mijn broek langs mijn klamme huid is een work-out op zich, om nog maar te zwijgen van de energie die het me kost om de stof weer omhoog te sjorren. De mensen die wel eens met het zweet op hun rug een stroeve kleuter in een maillot hebben moeten hijsen vlak na de zwemles weten wat ik bedoel.

Ik haal diep adem en ga de zaal weer in, waar mijn maatje keurig staat te wachten op de gelegenheid me weer tot spreekwoordelijk moes te slaan.
Dan gebeurt er iets interessants. Mijn initiële angst slaat om in boosheid. Wat zeg ik: wóedend word ik.
Met terugwerkende kracht word ik des duivels. Op mensen die in mijn leven waren. Dingen die gebeurd zijn. Die ik over mijn kant heb laten gaan. Die ik afwachtend heb staan incasseren. Het wordt tijd om terug te slaan.
Ik ga volledig los op de persoon tegenover me, drijf hem grommend in een hoek. Hij zet op zijn beurt een tandje bij: wat ik kan, kan hij ook, waarna we gestaag verdwijnen in een soort geweldsspiraal.
Ik leg het uiteraard volledig af. Weer kan ik wel janken.

“Jíj bepaalt”

Trainer Stephan spreekt me aan.
Hij praat over in en uit het gevecht bewegen. Rustig blijven. De ander peilen. Patronen ontdekken.
“Je gaat mee in zijn spelletje,” zegt hij simpelweg. “Niet doen. Jíj bepaalt.”
Zijn woorden komen harder aan dan die klappen van zonet. Ze zijn zó treffend. Zó actueel.
“Je moet ontspannen vechten”, zegt hij.
Ja hoor, ontspannen vechten. Het klinkt voor mij net zo paradoxaal als ‘blijf droog tijdens het zwemmen’.

De boze moeder

Een tijdje geleden had ik een basisschoolmoeder achter me aan. De toedracht is niet zo relevant, maar de strekking is dat ik haar etterige zoontje had aangesproken op zijn etterige gedrag jegens mijn dochter.
Ik wist niet met wie ik te maken had, ik had het van horen zeggen, maar de omschrijving luidde ‘groot, stevig, kort haar, luidruchtig en een grote bek’.
Echt mijn type dus. Not.

La’maar komen

Anyway, ze was dus boos. Op mij. Jarenlang was alleen dát al reden genoeg om ’s ochtends met een knagend gevoel op te staan en met verhoogde hartslag naar school te fietsen, om me aldaar na het afwerpen van de kinderen als een schim met ninja-skills weer met gezwinde spoed uit de voeten te maken.
Nu dacht ik alleen maar: la’maar komen. La’maar komen die tank met die grote waffel en dat makkelijke haar. Laat haar maar verhaal komen halen. Ik kan het hebben. Ik ben er klaar voor.

Metafoor

In tegenstelling tot alle scenario’s die mijn hoofd me al had voorgeschoteld (boos op me af komen denderen, me midden op het schoolplein uit staan te kafferen, ik die helemaal dichtklap) lijkt de Boze Schoolpleinmoeder me niet alleen te ontwijken, maar schiet ze snel de andere kant op als ze me ziet. Duidelijk zenuwachtig. Laatst liepen we bijna tegen elkaar aan en waar ik dacht: nu zal ze wel komen, wendde ze zich af, met op haar gezicht de paniekerig-geschrokken uitdrukking van iemand die zojuist haar tampon eruit heeft geniesd.

De boze schoolpleinmoeder is voor mij een metafoor. Voor de mensen die dingen doen die ik niet prettig vind. Voor personen die, op wat voor manier dan ook, mijn grenzen overschrijden. Voor de twee zakelijke akkefietjes waar ik momenteel mee deal, en die ik nog maar een jaar geleden op een totaal andere manier het hoofd zou hebben geboden.
Geen buikpijn bij het naar school fietsen. Geen buikpijn als ik mijn mailbox open. Geen buikpijn wanneer ik post ontvang.
‘La’maar komen’ is al een heel mooie stap. ‘Wacht, ik kom wel naar jou toe’ wordt de volgende.

Over Charlotte:

Ik ben Charlotte, 37 jaar oud en moeder van Teddy (7jr.) en James (3jr.). Samen met onze geschifte kater Titus wonen we in Haarlem. Dagelijks schrijf ik met liefde mijn vingertoppen schraal, want dat vind ik een van de allerleukste en fijnste dingen om te doen. Ik ben een geluksvogel dat ik, als tekstschrijver, van mijn hobby mijn werk heb kunnen maken. Strijken vind ik stom, en koken een uitdaging. En mijn grote liefde, dat is Krav Maga.

Charlotte is auteur van het boek ‘Zwanger, The True Story’. Haar nieuwste boek ‘Supermama’s, The True Story’ ligt sinds kort in de winkel!

Aanmelden nieuwsbrief


Onze locaties

Haarlem

Gonnetstraat 7
2011 KA Haarlem

Alphen aan den Rijn

H. Dunantweg 1
2402 NM Alphen aan den Rijn

Officieel lid van:

Copyright © Trainingscentrum Helena
Volg ons